Afbouwen antidepressiva lukt niet? Meld je hier!
Steun ons
X

‘Ik kan je niet tegenhouden, maar doe het maar niet’

Een vrouw heeft haar verhaal geschreven over de periode dat zij dood wilde. Zij is haar therapeut erg dankbaar. Anonieme inzending.

“Waar denk je aan?” Hij kijkt me aan met een oprechte blik. Ik kijk weg. Wat moet ik zeggen? De waarheid? Dat ik dood wil? Dat het onze laatste afspraak is? Dat het leven een hel is en dat ik er morgen niet meer ben?

“Oh, niks belangrijks”, zeg ik luchtig. Een traan welt op in mijn oog. Ik knipper hem weg. “Je mag alles tegen mij zeggen, ik vind niets raar.” Hij wijst naar de thermoskan op het witte formica tafeltje. “Koffie?” Ik knik. In mijn hoofd tuimelen de gedachten door elkaar. Als ik vertel waar ik aan denk verklaart hij me voor gek. Of erger. Hij laat me opnemen op een gesloten afdeling.

Zorgvuldig voorbereid

Ik heb het zorgvuldig voorbereid. Stap voor stap. Al maanden verlang ik ten diepste naar de dood. Naar het niets. Bij elke handeling, bij elke beweging, bij elke zin. Elke minuut van mijn leven is een marteling. Voor mij is de dood geen ontsnapping: het is een allesoverheersende wens om het leven in te ruilen voor zalige rust. Dus ik hou mijn mond.

“Zullen we afspreken dat ik alleen luister, dat ik niet oordeel?” De therapeut kijkt me aan. Ik kijk op mijn horloge. Het is 11 uur. Er zijn 45 minuten voorbij. De sessie is afgelopen. “Het is tijd”, zeg ik. “Als het moet heb ik de hele dag de tijd, ik wil graag weten wat je denkt.” De hele dag? Hij maakt een grapje. Ik duik weg in de kraag van mijn jas. Ik begin te huilen. Ik blijf huilen. Ik voel de tranen op mijn handen druppen. Hij verschuift zijn stoel zodat hij iets meer tegenover me zit. “Waarom huil je?” Zijn stem is warm. Zijn blik ook. Ik veeg het snot van mijn neus. Lange doorzichtige draden blijven aan mijn vingers plakken. Hij geeft me een tissue. “Ik wil dood”, fluister ik. Hij kijkt me aan. “Nu verklaar je me vast voor gek.” Hij schudt zijn hoofd. “Dat dacht ik al. Wat naar voor je. Hoe lang wil je dat al?” Een weekje, lieg ik. Hoe moet ik hem vertellen dat ik al maanden niet meer wil leven? Dat het eerste wat ik denk als ik wakker word is, dat ik dood wil? Ik ben een last voor mijn geliefden. Mijn man en mijn kind zijn beter af zonder mij. Hij houdt zijn hoofd schuin: “Heb je al een plan gemaakt?” Ik kijk naar de vloer. Ik fluister nee. “Heb je er dan wel eens over gefantaseerd hoe je het zou doen? Met medicijnen, voor de trein, ophangen, verdrinken, op de snelweg? Als ík iets wil fantaseer ik daar uitgebreid over.” Hij neemt een slok koffie. Weer schud ik nee.

‘Wat hij zegt raakt me’

“Het is volstrekt begrijpelijk dat je het wil. Maar ik zou het wel heel jammer vinden. Het zou mij verdriet doen als ik bijvoorbeeld morgen hoor dat jij er niet meer bent. Jij bent het leven nog zo de moeite waard. Ik geef je dus geen toestemming om jezelf van het leven te beroven.” Wat hij zegt raakt me. Tranen, snot, woorden. Het rolt allemaal tegelijkertijd uit me. Ik ben boos. Boos omdat hij me raakt, dóór het pantser van mijn doodswens heen. Ik vertel hem hoe ik me voel. Hoe inktzwart mijn binnenste is. Hoe de put er uit ziet, waarin ik al maanden zit en waar de trap naar boven ontbreekt. Mijn overtuiging dat ik niets meer aan de wereld heb toe te voegen. Mijn mails naar Fons Tholen, de psychiater die gespecialiseerd is in uitzichtloos lijden en zelfdoding. De afwijzing. De heimelijke contacten met de NVVE. De zoektocht naar een nette dood. De absoluut dodelijke cocktail van pillen die keurig verstopt thuis liggen. Op een niet nette manier verzameld. De brieven die ik klaar heb. De crematie die geregeld is. En mijn intense verlangen naar een einde.

‘Zal ik morgen bellen?’

Als ik klaar ben kijkt hij me geëmotioneerd aan. “Ik kan je niet tegenhouden, maar doe het maar niet. Geef jezelf nog even tijd. Zal ik je morgen bellen?” Ik knik. We praten nog wat. We drinken nog een kop koffie. Anderhalf uur later neem ik verward, maar met een splintertje hoop afscheid. “Tot morgen”, zegt hij.

Inktzwarte periode

Dit speelde zich af in 2008. Ik was ernstig depressief. Een inktzwarte periode. De therapeut gaf me perspectief. Soms voor een paar uur. Maar net genoeg om de ochtend te halen. Hij liet mij zien dat mijn man en kind niet beter af waren zonder mij. Het heeft nog maanden geduurd voor de suïcide wens verdween, samen met de depressie. Het herstel ging met vallen en opstaan. Pas in 2009 landde ik weer op de wereld. Inmiddels kan ik me gelukkig niet meer voorstellen dat ik toen maar één wens had: de dood. Ik heb veel nare dingen meegemaakt, maar deze depressie was het ergste. Een hel. Ik ben de therapeut erg dankbaar. Zijn begrip, geduld, maar ook het lef om niet volgens protocol te handelen maar mij de regie te geven, hebben mijn leven gered.

 

Lees en deel ervaringen

Persoonlijke verhalen
delen met lotgenoten

Mind Blue

Antidepressiva,
wat vinden anderen?

Mijn Medicijn

GGZ-organisaties:
deel jouw ervaring over hulpverleners

Zorgkaart Nederland
Steun ons
X
© Depressievereniging| Disclaimer|Cookies|Sitemap| Site by Hellopixels + Site by Site